Bandeja, vibora, lob en smash: de slagen van padel
De slagen van padel horen bij een plek op de baan. Aan het net val je aan: met de volley, de bandeja, de vibora en de smash. Achterin verdedig je en pak je het net terug: met de lob, de slagen via het glas, de chiquita en de bajada. De lob is een belangrijke slag bij padel.
Aanvallen: de slagen aan het net
De volley wordt geslagen voordat de bal stuit: kort en laag, een compacte slag zonder uitzwaai. Dit is de slag waarmee de meeste punten vallen. De bandeja is de bovenhandse slag waarmee een speler het net houdt als de tegenstander lobt. Geen harde smash, maar een gecontroleerde slag met wat snijeffect, waarna hij terugloopt naar het net. Bandeja betekent dienblad, naar de manier waarop het racket wordt vastgehouden.
De vibora lijkt op de bandeja, maar wordt sneller en agressiever gespeeld: meer zijeffect, en de bal springt raar weg van het glas. Hard slaan is bij padel zelden de oplossing, want de bal komt via het glas terug. Een smash loont alleen als de bal hoog en kort komt en na de stuit over de wand de kooi uit kan. Dat is een gewonnen punt. In alle andere gevallen: bandeja.
Verdedigen: de slagen van achterin
De lob is een belangrijke slag bij padel: een hoge bal over de tegenstanders heen die achterin stuit. De netspelers moeten naar achteren, en zo pakt het paar achterin het net terug. Een te korte lob levert een smash op. Komt de bal na de stuit tegen het glas, dan laat de verdediger hem van het glas komen en slaat hij hem daarna rustig terug, met de forehand of de backhand. Dat is de slag die padel padel maakt: geen rennen naar de bal, maar wachten tot hij terugkomt.
De chiquita is een zachte, lage bal naar de voeten van de tegenstanders aan het net, zodat zij omlaag moeten en niet kunnen aanvallen; ondertussen loopt het paar achterin naar voren. De bajada is de aanval vanuit de verdediging: de speler laat een bal van de achterwand komen en slaat hem hard en laag naar voren.