De spelregels van padel, in de volgorde van een partij
Padel speel je twee tegen twee in een kooi van glas en hek. De service is onderhands, de bal mag één keer stuiten, het glas doet mee en het hek niet, en je telt 15, 30, 40, game. Dat is de kern. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze op de baan tegenkomt, van het moment dat je aankomt tot het tikken van de rackets. De gebruiken op de club staan op de plek waar ze horen.
Je hoeft deze pagina niet uit te lezen. Spring naar wat je zoekt:
- Naar de baan
- De toss en de afspraken
- De opstelling
- Serveren
- Ontvangen
- Service goed of fout
- De rally
- In en uit
- Het net
- Zo eindigt een punt
- Tellen
- Sets en tiebreak
- Wisselen
- Einde van de wedstrijd
Verderop houd je deze lijst bij de hand: klik boven in de balk op Spelregels.
Voordat je de baan op gaat
Vier dingen neem je mee:
- Een padelracket, met het polskoord eraan.
- Drie padelballen. Koop echte padelballen: die hebben iets minder druk en stuiten lager dan andere ballen. Vervang ze zodra ze zacht worden.
- Padelschoenen met een visgraatprofiel.
- Water.
Een baan reserveer je bij de club of via een boekingsapp, meestal voor een uur of anderhalf uur.
Het polskoord doe je om je pols voordat je de eerste bal slaat, elke keer. Het is een regel, geen tip: een racket dat uit je hand schiet is gevaarlijk in een kooi met vier mensen.
Sportkleding is verplicht. Speelt er nog een groep op jullie baan, wacht dan bij het hek tot hun punt voorbij is en loop dan pas de baan op.
Inspelen, de toss en de afspraken vooraf
Voor de wedstrijd speel je drie minuten in. Daarna bepaal je wie begint met de toss: officieel met een munt, op de club draai je een racket.
De winnaar kiest een van drie dingen: serveren of ontvangen, de kant van de baan, of de tegenstanders eerst laten kiezen. Kies je de service, dan kiezen de tegenstanders de kant. Kies je de kant, dan kiezen zij de service. Je kiest dus nooit allebei.
Het reglement laat een paar keuzes open. Spreek die af voordat het eerste punt begint, dan hoef je er tijdens de wedstrijd niet meer over te praten.
- Golden point of voordeel bij 40-40: meteen een beslissend punt, of doorspelen met voordeel.
- Derde set of supertiebreak als het een set gelijk staat.
- Buitenspel of niet: mag je de baan uit om een bal terug te slaan? Op de meeste banen niet.
- Wie de stand roept: de serveerder, voor elke service, eigen punten eerst.
De opstelling: wie staat waar
Elk paar staat aan een kant van het net. Alleen de serveerder heeft een vaste plek: achter de servicelijn, in het vak waar hij vandaan serveert. De ontvanger staat schuin tegenover hem en kiest zelf hoe ver naar voren of naar achteren.
De partner van de serveerder en de partner van de ontvanger mogen overal aan hun eigen kant staan, ook helemaal vooraan bij het net.

Aan het begin van elke set spreek je met je partner af wie van jullie als eerste serveert. Die volgorde ligt vast tot het einde van de set; in de volgende set mag je opnieuw kiezen. De ontvangers spreken op dezelfde manier af wie het eerste punt van elke game ontvangt.
De service wisselt per game van paar: game 1 een speler van het ene paar, game 2 een speler van het andere paar, game 3 de andere speler van het eerste paar, game 4 de andere speler van het tweede paar, en zo verder.
Serveren
Elk punt begint met een service, en die is bij padel altijd onderhands. Je laat de bal stuiten in je eigen vak, achter de servicelijn. Zonder stuit bestaat er geen service.
Daarna raak je de bal op of onder heuphoogte, onderhands of zijwaarts, en sla je hem schuin over het net in het servicevak van de ontvanger. Op de lijn is goed. Je hebt twee pogingen; zijn ze allebei fout, dan is het punt voor de tegenstanders.
Je voeten blijven achter de servicelijn tot je de bal hebt geraakt, en ze raken de lijn niet. Ook niet de denkbeeldige lijn die de middenlijn naar achteren doortrekt. Op het moment dat je de bal raakt, staat minstens een voet op de grond; springen mag dus niet.
Het eerste punt van elke game serveer je vanaf de rechterkant, daarna om en om: links, rechts, links.
Roep voor elke service de stand, je eigen punten eerst, ook als je met vrienden speelt. Het voelt eerst overdreven, maar het voorkomt de meeste discussies. En serveer pas als de ontvanger klaar staat.

Ontvangen
De ontvanger laat de service stuiten. Volleren mag niet: raakt de service de ontvanger of zijn racket voordat de bal de grond raakt, dan is het punt voor de serveerder. Blijf dus uit de baan van de bal tot hij gestuit heeft.
Binnen een game ontvang je om en om: het ene punt jij, het volgende je partner. Die volgorde ligt de hele set vast.
Hebben de ontvangers per ongeluk gewisseld, dan blijven ze zo staan tot het einde van die game en gaan ze daarna terug naar de afgesproken volgorde. De gespeelde punten blijven staan.
Service goed, service fout, netbal en let
Stuit de service in het juiste vak en raakt hij daarna het glas, dan is hij goed en speel je door. Raakt hij na de stuit het hek, dan is hij fout. Onthoud het als één zin: bij de service is glas goed en hek fout.
De service is ook fout als:
- de bal buiten het servicevak stuit;
- je de bal mist, want een bewuste poging telt als service;
- de bal jezelf of je partner raakt;
- de bal na de stuit meteen door de opening naast het net naar buiten gaat.
Raakt de service het net en komt hij toch in het goede vak, dan is het een netbal en speel je die service over. Raakt de bal na het net het hek, dan is hij fout; raakt hij na het net een speler, dan speel je ook over.
Serveer je voordat de ontvanger klaar staat, dan roept hij let en speel je over. Wie een retour probeert, kan achteraf niet meer zeggen dat hij niet klaar was.
Een netbal of let op je eerste service geeft je het hele punt terug, dus weer twee services. Op je tweede service speel je alleen die tweede service over.
Serveerde per ongeluk de verkeerde speler, of vanaf de verkeerde kant? Herstel het zodra je het merkt. Alle gespeelde punten blijven staan en een eerste fout telt gewoon mee.
De rally: de bal in het spel
De paren slaan om de beurt, en binnen een paar slaat er maar een speler. De bal mag aan jouw kant één keer stuiten; die tweede stuit is de scheidsrechter van padel.
Jouw bal moet eerst de grond raken aan de kant van de tegenstanders. Daarna mag hij alles raken wat bij de baan hoort: het glas, het hek, een netpaal. Hij blijft in het spel en de tegenstanders moeten hem terugslaan voordat hij voor de tweede keer de grond raakt.
Aan je eigen kant geldt: via je eigen glas mag, via je eigen hek niet. Komt de bal na de stuit achter je langs tegen je eigen glas, dan sla je hem terug zodra hij van het glas komt. Je mag zelfs bewust via je eigen glas spelen: eerst tegen je eigen wand, dan over het net.
Raakt jouw geslagen bal het hek aan je eigen kant, of de grond aan je eigen kant voordat hij over het net gaat, dan is hij uit.
Raakt je bal in de rally het net en valt hij daarna bij de tegenstanders op de grond, dan is hij goed. Doorspelen.

In, uit en de kooi uit
Sla je de bal rechtstreeks tegen het glas of het hek van de tegenstanders, zonder dat hij eerst de grond raakt, dan is hij uit. Ook als hij eerst het net raakt en dan tegen de wand valt.
In de rally bestaan er geen lijnen: de hele vloer van de kooi is speelveld en een bal op de grond kan nooit uit zijn. Stuit de bal precies in de hoek waar het glas de vloer raakt, dan is hij in.
Stuit je bal bij de tegenstanders en vliegt hij daarna over de wand de kooi uit, dan is het punt voor jou. Hetzelfde geldt als hij na de stuit:
- de lamp of het plafond raakt;
- in het hek blijft hangen;
- op de rand van de wand blijft liggen;
- door de opening naast het net naar buiten gaat.
Raakt je bal de lamp voordat hij stuit, dan is hij uit.
Buitenspel, de baan uit rennen om zo'n bal terug te slaan, mag alleen als de baan daarvoor gemaakt is en jullie het vooraf hebben afgesproken. Op de meeste Nederlandse banen kan dat niet. En ook met buitenspel is het punt altijd voorbij als de bal na de stuit over de achterwand gaat.
Het net, je racket en je lichaam
Raak je tijdens het punt het net, een netpaal of de baan van de tegenstanders, met je racket, je lichaam of je kleding, dan is het punt weg. Ook per ongeluk. Zodra het punt voorbij is, maakt het niets meer uit.
De bal raak je pas als hij over het net is; je racket mag na de slag wel over het net doorzwaaien, zolang je niets aanraakt.
Raakt jouw bal een tegenstander, ergens anders dan op zijn racket, dan is het punt voor jou, ook als de bal anders uit was gegaan. Raakt je eigen bal na je slag jezelf of je partner, dan is hij uit.
Raak je de bal twee keer in twee bewegingen, of slaan jij en je partner hem allebei, dan is het punt weg. Valt je racket tijdens het punt of breekt je polskoord, dan verlies je dat punt ook.
Zo eindigt een punt
Het punt is voor jullie zodra de tegenstanders:
- de bal niet voor de tweede stuit terugslaan;
- de bal rechtstreeks tegen jullie glas of hek slaan;
- de bal in het net of tegen hun eigen hek slaan;
- het net aanraken;
- een dubbele fout serveren.
Het punt is ook voor jullie als jullie bal na de stuit bij hen de kooi uit gaat. Wie de bal aan zijn kant heeft, beslist of hij in of uit was. Bij echte twijfel spelen jullie het punt over.
Soms speel je een punt over zonder dat iemand een fout maakte. Rolt een bal van de buurbaan jullie baan op, gaat de bal kapot of stoort iets van buiten de baan het spel, roep dan meteen let en stop. Speel je door, dan vervalt je recht op een let.
Stoort een tegenstander je expres terwijl je slaat, door te roepen of met zijn racket te zwaaien, dan is het punt voor jou. Per ongeluk is overspelen.
Tussen twee punten heb je hooguit 20 seconden. De ballen gaan naar de serveerder: speel ze rustig naar hem toe, niet hard naar de overkant.
Rolt jullie bal een andere baan op, wacht dan tot hun punt klaar is en vraag dan om de bal. Een bal van de buurbaan geef je terug tussen de punten, nooit tijdens hun rally.
Tellen: van punt tot game
Het eerste punt is 15, het tweede 30, het derde 40 en het vierde punt is de game. De serveerder roept de stand voor elke service, zijn eigen punten eerst. Staat het 30-15, dan heeft het serverende paar twee punten en het andere paar een.
Staat het 40-40, dan geldt op de meeste banen golden point: het volgende punt beslist de game. De ontvangers kiezen uit welk vak er wordt geserveerd, links of rechts, en ze mogen daarvoor niet van plek wisselen.
Speel je zonder golden point, dan heet 40-40 deuce. Wie het volgende punt wint, heeft voordeel. Wint hetzelfde paar ook het punt daarna, dan is de game binnen; verliest het, dan is het weer deuce. Zo door, tot een paar twee punten op rij pakt.
Twijfel over de stand? Ga terug naar het laatste punt waarover jullie het eens zijn en tel vanaf daar.


Sets en de tiebreak
Een set win je met zes games en twee games verschil. Bij 5-5 speel je door; wordt het 7-5, dan is de set binnen. Wordt het 6-6, dan volgt een tiebreak.
In de tiebreak tel je gewoon 1, 2, 3. Wie het eerst zeven punten heeft met twee verschil, wint de tiebreak en daarmee de set met 7-6. Staat het 6-6 in de tiebreak, dan speel je door tot een paar twee punten voorsprong heeft.
De service in de tiebreak gaat het vaakst mis. De speler die aan de beurt was, serveert het eerste punt, een punt maar, vanaf de rechterkant. Daarna serveert het andere paar twee punten, te beginnen vanaf links.
Vanaf dan serveert elke speler steeds twee punten, in dezelfde volgorde als in de set. De volgende set begint met een service van het paar dat de tiebreak niet begon.

Wisselen van kant en van serveerder
Je wisselt van kant na de eerste game, na de derde, na de vijfde: na elke oneven game. Makkelijk onthouden: tel de games van beide paren bij elkaar op. Is de som oneven, dan wissel je. Bij 2-1 dus wel, bij 2-2 niet.
In de tiebreak wissel je na elke zes punten, dus bij 3-3, 4-2, 5-1 en 6-0, en daarna weer bij twaalf. Vergeten? Herstel het zodra het opvalt; de gespeelde punten tellen gewoon.
Bij een kantwissel mag je hooguit 90 seconden zitten. Na de eerste game van een set en in de tiebreak wissel je zonder pauze. Eten en drinken doe je alleen bij de kantwissel, niet tussen de punten.
Aanwijzingen van een coach of van wie langs de baan staat mogen alleen in deze rust; tijdens het punt houdt iedereen langs de baan zijn mond.
Van serveerder wissel je elke game: het ene paar, het andere paar, en binnen een paar om en om, in de volgorde die jullie aan het begin van de set afspraken. Serveerde de verkeerde speler? Herstel het zodra je het merkt en speel niets over.

Het einde van de wedstrijd
Een wedstrijd gaat om twee gewonnen sets. Staat het een set gelijk, dan volgt een derde set of een supertiebreak tot tien punten met twee verschil; welke van de twee, hebben jullie vooraf afgesproken. Huur je een baan voor een uur, dan is de supertiebreak de gebruikelijke keuze.
Na een set heb je hooguit 120 seconden rust. Wordt de wedstrijd onderbroken door regen of een blessure, dan ga je verder waar je gebleven was: dezelfde stand, dezelfde serveerder, dezelfde kant.
Na het laatste punt tik je met de rackets tegen elkaar bij het net, met alle vier, ook als je hebt verloren. Is jullie tijd om, ruim dan snel de ballen en je spullen op en geef de baan meteen vrij aan de groep na jullie.
En de belangrijkste regel van allemaal staat nergens in het reglement: het is een spel. Lach om je eigen missers.